Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1746

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
5 september 2024
Zaaknummer
24/629 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in sociale zekerheidszaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een sociale zekerheidszaak. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat een vereiste is op grond van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft appellante meerdere malen in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen, met termijnen die zijn verlengd tot 10 juni 2024 en daarna nogmaals vier weken na 13 juni 2024.

Ondanks deze kansen heeft appellante geen beroepsgronden ingediend en geen verontschuldigingen aangevoerd voor het verzuim. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, en op 3 september 2024 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat verzet open binnen zes weken na verzending van het afschrift.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen daarvan binnen gestelde termijnen.

Uitspraak

Datum uitspraak: 3 september 2024
24/629 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
23 januari 2024, 22/3699
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. F. Elidrissi hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 15 april 2024 is de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Bij digitaal bericht van 8 mei 2024 heeft de gemachtigde van appellante de Raad om uitstel verzocht voor het indienen van de gronden. De Raad heeft diezelfde dag per brief de termijn verlengd tot en met 10 juni 2024.
De gemachtigde van appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 13 juni 2024 is aan de gemachtigde van appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De gemachtigde van appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.