Uitspraak
23 januari 2024, 22/3699
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een sociale zekerheidszaak. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat een vereiste is op grond van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft appellante meerdere malen in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen, met termijnen die zijn verlengd tot 10 juni 2024 en daarna nogmaals vier weken na 13 juni 2024.
Ondanks deze kansen heeft appellante geen beroepsgronden ingediend en geen verontschuldigingen aangevoerd voor het verzuim. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, en op 3 september 2024 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat verzet open binnen zes weken na verzending van het afschrift.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen daarvan binnen gestelde termijnen.