ECLI:NL:CRVB:2024:1598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en niet-medische behandeling
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen twee besluiten van het UWV waarin hem een WIA-uitkering werd geweigerd. In de eerste zaak (23/3063 WIA) ging het om de vraag of appellant voldoende arbeidsongeschikt was (minimaal 35%) om een uitkering te ontvangen. Een onafhankelijke verzekeringsarts concludeerde dat de beperkingen van appellant adequaat waren vastgesteld en dat er geen reden was om meer beperkingen aan te nemen. De rechtbank en de Raad volgden dit oordeel en verwierpen het beroep van appellant.
In de tweede zaak (23/3064 WIA) betwistte appellant de afwijzing van een uitkering per 10 augustus 2021 op grond van vermeende toegenomen beperkingen door therapie. De rechtbank oordeelde dat de gevolgde therapie geen noodzakelijke medische behandeling was, maar een niet-medische begeleiding gericht op zelfredzaamheid. Ook dit oordeel werd door de Raad bevestigd.
De Raad benadrukte dat het rapport van de onafhankelijke deskundige overtuigend en goed onderbouwd was en dat appellant geen nieuwe gronden had ingebracht die tot een ander oordeel konden leiden. De weigeringen van het UWV blijven daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen.