ECLI:NL:CRVB:2024:1579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na een uitgebreid verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek concludeerden deskundigen dat appellante beperkingen heeft, maar niet zodanig dat zij recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen en kende appellante een schadevergoeding toe vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de diagnose van haar behandelend artsen leidend moet zijn en dat de deskundigen niet achteraf met terugwerkende kracht een andere diagnose mogen stellen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het deskundigenonderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd is en dat er geen aanleiding bestaat om van het deskundigenrapport af te wijken. De medische stukken van behandelaars geven geen reden om het oordeel te herzien.
De Raad bevestigt dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies passend zijn en dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.