Uitspraak
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een Ziektewet-uitkering toe te kennen per 22 februari 2021 en 26 maart 2021. Het UWV oordeelde dat zij niet arbeidsongeschikt was voor de eerder geselecteerde functies in het kader van de WIA-beoordeling. De rechtbank Midden-Nederland vernietigde het bestreden besluit wegens onzorgvuldige voorbereiding, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat aanvullende rapporten geen nieuwe medische feiten bevatten die tot een andere uitkomst leiden.
Appellante stelde in hoger beroep dat het achterwege blijven van een hoorzitting haar benadeelde en dat haar situatie was verslechterd, onder meer door behandeling bij Altrecht. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante niet is benadeeld door het ontbreken van een hoorzitting en dat de medische informatie geen aanwijzingen gaf voor een verslechtering van haar belastbaarheid op de data in geding.
De Raad bevestigde dat op grond van artikel 19 ZW Pro en vaste rechtspraak de beoordeling van arbeidsongeschiktheid plaatsvindt ten opzichte van het laatst verrichte werk en dat bij een eerdere WIA-beoordeling de geschiktheid voor ten minste drie geselecteerde functies met voldoende arbeidsplaatsen en een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65% moet worden vastgesteld. Omdat de medische beperkingen niet zijn toegenomen, is het UWV terecht geweigerd een ZW-uitkering toe te kennen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering omdat appellante medisch geschikt is voor de geselecteerde functies.