ECLI:NL:CRVB:2024:1480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2016 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV, inclusief medisch en arbeidskundig onderzoek en een psychiatrisch expertise-onderzoek, werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het UWV beëindigde daarom de uitkering per 2 mei 2022. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV aannam en niet geschikt is voor de geselecteerde functies.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen sprake was van wapenongelijkheid, mede omdat appellante geen nieuwe medische informatie aanleverde. De rechtbank zag geen reden voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en verwierp het bezwaar. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende was en dat haar klachten onvoldoende werden meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank en oordeelt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid juist is. Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 2 mei 2022 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.