ECLI:NL:CRVB:2024:1457
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens benadelingshandeling en maatregeloplegging
Appellant was werkzaam bij een werkgever en meldde zich ziek vanaf 28 maart 2018. Tijdens arbeidsongeschiktheid tekende hij op 12 december 2018 een vaststellingsovereenkomst waarbij zijn dienstverband per 1 januari 2019 werd beëindigd. Vervolgens vroeg hij een ZW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant een benadelingshandeling had gepleegd door zijn recht op loon prijs te geven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht een maatregel oplegde, namelijk een blijvende gehele weigering van de ZW-uitkering over de periode 1 tot 21 januari 2019. Appellant was in detentie vanaf 21 december 2018 tot 12 april 2021, waardoor de uitsluitingsgrond van artikel 19b ZW van toepassing was vanaf 21 januari 2019. De rechtbank vond dat appellant zijn recht op loon niet had prijsgegeven door de vaststellingsovereenkomst en dat de maatregel passend was.
Appellant stelde in hoger beroep dat geen sprake was van benadeling en dat de maatregel onevenredig was. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad concludeerde dat het UWV terecht het besluit handhaafde en dat appellant geen proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de ZW-uitkering en de opgelegde maatregel wegens benadelingshandeling.