Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1454

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
23/1846 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem per 30 augustus 2021 geen WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatste werk, maar wel in staat was om andere passende functies te vervullen, wat resulteerde in een berekende arbeidsongeschiktheid van 5,92%.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant adequaat waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen niet juist waren ingeschat en overhandigde aanvullende medische stukken, maar de Raad concludeerde dat deze informatie niet tot een ander oordeel leidt.

De Raad benadrukte dat de beoordeling plaatsvindt op de datum in geding, 30 augustus 2021, en dat informatie van na die datum niet relevant is. De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit, wijst het verzoek om schadevergoeding af en laat de proceskosten bij appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

23/1846 WIA
Datum uitspraak: 17 juli 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2023, 22/2712 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 30 augustus 2021 geen uitkering op grond van de Wet WIA heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld, nadere stukken ingediend en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 juni 2024. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als chauffeur voor 40 uur per week. Op 2 september 2019 heeft hij zich ziekgemeld met verschillende gezondheidsklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 november 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en aan de hand daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 5,92%. Bij een besluit van
16 december 2021 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 30 augustus 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 19 april 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts heeft appellant uitgebreid onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na dossierstudie gereageerd op de door appellant in beroep overgelegde informatie van de behandelend orthopedisch chirurg. Alle naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke manier betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de medische situatie van appellant hebben gemist. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellant op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd. Ook is voldoende gemotiveerd dat de informatie uit de behandelend sector die appellant in beroep heeft ingestuurd, geen aanleiding geeft om de FML aan te passen. Die informatie bevat geen andere medische gegevens dan de informatie die al bekend was en waarmee rekening is gehouden. Vastgesteld is dat appellant op datum in geding nog fors beperkt is in de mobiliteit en dat hij de enkel nog niet optimaal kan gebruiken. Dat heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook geleid tot forse beperkingen in de FML. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant op 30 augustus 2021 in staat moet worden geacht arbeid te verrichten in overeenstemming met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid zoals verwoord in de FML. Hiervan uitgaande ziet de rechtbank in wat appellant heeft aangevoerd geen reden om de geschiktheid van de geduide functies in twijfel te trekken.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen niet juist heeft ingeschat. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in hoger beroep aanvullende medische stukken ingebracht, waaronder informatie van zijn fysiotherapeut, verslagen van gemaakte CT-scans en brieven van zijn behandelend orthopedisch chirurg. Appellant heeft ook verzocht om een schadevergoeding.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de
WIA-uitkering in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals samengevat weergegeven in rechtsoverweging 2, worden onderschreven. De Raad volstaat met een verwijzing daarnaar en voegt daaraan het volgende toe.
4.3.
Beoordeeld moet worden de situatie van appellant op de datum in geding, 30 augustus 2021. Dat betekent dat informatie van voor die datum en medische ontwikkelingen na die datum niet worden meegenomen bij de beoordeling van het hoger beroep. De Raad stelt vast dat de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie deels ziet op de periode rond de operatie op 9 maart 2021, dus voor de datum in geding van 30 augustus 2021, en deels op een periode ruim na de datum in geding. Gelet daarop heeft het Uwv die informatie terecht niet bij de beoordeling betrokken. Overigens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport van 3 juni 2024 opgemerkt dat de door appellant overgelegde informatie uit 2021 het standpunt van het Uwv onderbouwt dat appellant op de datum in geding beperkt was voor staan, lopen, duwen/trekken, tillen, dragen, traplopen, klimmen en geknield/gehurkt werken en dat uit die informatie niet volgt dat er een reden is om tot een ander standpunt te komen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de WIA-uitkering van appellant per 30 augustus 2021 in stand blijft. Dit brengt ook mee dat er geen grondslag bestaat voor inwilliging van het verzoek om schadevergoeding.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. Ook krijgt hij het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Rentema-Westerhof in tegenwoordigheid van I. Gök als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2024.
(getekend) A.M. Rentema-Westerhof
(getekend) I. Gök