Appellant, bekend met rug-, been-, nek- en psychische klachten, vroeg op 28 februari 2020 een gehandicaptenparkeerkaart aan voor bestuurder en passagier. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af op basis van adviezen van de GGD, die concludeerden dat appellant zelfstandig meer dan 100 meter kan lopen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit, stellende dat de GGD-adviezen zorgvuldig en inzichtelijk waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de GGD-adviezen summier waren, onvoldoende onderbouwd, en dat belangrijke medische informatie niet was betrokken. Ook stelde hij dat de GGD geen gericht looponderzoek had gedaan en dat de conclusies niet strookten met zijn arbeidsongeschiktheid.
De Raad oordeelt dat de adviezen van de GGD onvoldoende aanknopingspunten boden om aan de vergewisplicht te voldoen. Het college had om nadere toelichting moeten vragen, maar baseerde het besluit zonder meer op de summiere adviezen. Daarom handelde het college in strijd met de vergewisplicht en mocht het besluit niet op deze adviezen steunen.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het besluit van 2 oktober 2020 herroepen. Verder wordt appellant een proceskostenvergoeding toegekend en krijgt hij het betaalde griffierecht terug.