ECLI:NL:CRVB:2024:1386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks verslechtering gezondheid
Appellante, die zich ziekmeldde met schouderklachten en als assistent woonmakelaar werkte, vroeg een WIA-uitkering aan die in 2020 werd afgewezen. Na melding van verslechtering per 1 juli 2021 diende zij een nieuwe aanvraag in, die het UWV in 2022 opnieuw afwees omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bleef.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de rapporten niet zorgvuldig waren opgesteld.
De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. Het medisch onderzoek voldeed aan de eisen, inclusief een fysieke hoorzitting. De medische beperkingen waren correct vastgesteld en subjectieve klachten na 1 juli 2021 konden niet worden meegewogen. Ook de arbeidskundige beoordeling dat de geduide functies passend zijn, werd onderschreven.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt ondanks verslechtering.