ECLI:NL:CRVB:2024:1385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering met 53,34% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige beoordeling
Appellant heeft zich ziekgemeld in juni 2020 en een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant voor 53,34% arbeidsongeschikt is en keerde een loongerelateerde WGA-uitkering toe per 9 juli 2022.
Appellant voerde aan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, met onderschatting van zijn beperkingen, waaronder ook psychische klachten. Hij verzocht tevens om benoeming van een deskundige vanwege een vermeende schending van het equality of arms-beginsel.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en motiveerde uitvoerig waarom het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en wees het hoger beroep af. De Raad oordeelde dat de nadere medische stukken van appellant dateren van na de datum in geding en geen ander beeld geven van zijn situatie op die datum.
Verder oordeelde de Raad dat appellant geen belemmeringen heeft ondervonden bij het onderbouwen van zijn standpunt en dat het equality of arms-beginsel niet is geschonden, zodat geen deskundige benoemd hoeft te worden. De toekenning van de WIA-uitkering met 53,34% arbeidsongeschiktheid blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van een WIA-uitkering met 53,34% arbeidsongeschiktheid.