ECLI:NL:CRVB:2024:1384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WIA-uitkering bij 35,87% arbeidsongeschiktheid per 13 januari 2022
Appellant, werkzaam als verpakkingsmedewerker en schoonmaker, meldde zich in 2018 ziek en vroeg in 2020 een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvankelijk af, waarna appellant zijn werk hervatte en later opnieuw ziek werd met toegenomen klachten. Na bezwaar en aanvullend onderzoek stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat appellant per 13 januari 2022 een arbeidsongeschiktheid van 35,87% had, waarop het UWV een WIA-uitkering toekende.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat er geen reden was om te twijfelen aan de medische en arbeidskundige beoordeling. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat, met nieuwe medische informatie van een psycholoog, maar de Raad oordeelde dat deze informatie geen aanleiding gaf het oordeel te wijzigen.
De Raad bevestigde dat de verzekeringsarts rekening had gehouden met psychische klachten zoals PTSS en depressie en dat de arbeidskundige beoordeling niet was betwist. Het hoger beroep werd verworpen, de toekenning van de WIA-uitkering bleef in stand, en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de toekenning van de WIA-uitkering per 13 januari 2022 met 35,87% arbeidsongeschiktheid blijft in stand.