ECLI:NL:CRVB:2024:1375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerkster glastuinbouw, viel in mei 2017 uit wegens psychische klachten en vroeg in februari 2019 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering in mei 2019 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, ondanks een schending van de hoorplicht, omdat appellante hierdoor niet was benadeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen door het UWV waren onderschat en overhandigde zij aanvullende medische stukken. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater die concludeerde dat appellante een paniekstoornis had met lichte tot matige beperkingen. De verzekeringsarts paste daarop de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan, maar de arbeidsdeskundige stelde vast dat appellante nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De Raad oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld en dat de schending van de hoorplicht niet tot benadeling had geleid. Daarom werd het hoger beroep afgewezen. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.