ECLI:NL:CRVB:2024:1370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante werkte als wijkcoach en ouderenadviseur en meldde zich ziek in oktober 2017. Het UWV kende haar vanaf 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 38,15%. In 2021 wijzigde het UWV dit naar een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid tussen 35 en 45%, maar na bezwaar werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 17,9% en de uitkering beëindigd per 21 december 2021.
Appellante voerde aan meer beperkingen te hebben dan het UWV aannam en dat zij de geselecteerde functies niet kon vervullen. De Raad oordeelde echter dat het UWV een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen van appellante gemotiveerd vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en concludeerde dat er geen urenbeperking nodig was.
De arbeidsdeskundige achtte de geselecteerde functies passend. Appellante bracht geen nieuwe medische stukken aan die haar stelling ondersteunden. De Raad vond dat het UWV de klachten en beperkingen van appellante voldoende had meegewogen en bevestigde het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 21 december 2021 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.