Uitspraak
25 oktober 2022, 21/2943 (aangevallen uitspraak)
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
WGA-vervolguitkering gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV, stellende dat hij meer medische beperkingen heeft dan aangenomen en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. De rechtbank Amsterdam heeft het bezwaar ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden. Appellant stelde in hoger beroep dezelfde gronden aan de orde, waaronder het ontbreken van een fysiek spreekuur en een vermeende foutieve medicatiedosering.
De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad vond dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de verzekeringsarts terecht had afgezien van een fysiek spreekuur en dat de juiste medicatiedosering was betrokken bij de beoordeling. Ook was er geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms, zodat het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen.
De Raad oordeelde verder dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant en dat zijn betoog over onderschatting van energetische belastbaarheid onvoldoende is onderbouwd. Het hoger beroep slaagt niet en de mate van arbeidsongeschiktheid blijft vastgesteld op 73,14%. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is per 1 augustus 2020 terecht vastgesteld op 73,14%.