ECLI:NL:CRVB:2024:1310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WAO-uitkering op 25-35%
Appellant, voormalig extrudeur, ontving sinds 2004 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na meerdere herbeoordelingen, waaronder een in 2006 en een verzoek tot herbeoordeling in 2021, stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 september 2020 opnieuw vast op 25 tot 35%.
Appellant voerde aan dat zijn lichamelijke beperkingen, met name ernstige artrose in de rug, onderschat waren en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn klachten. Hij overlegde medische stukken van diverse specialisten ter onderbouwing. Het UWV en de rechtbank oordeelden echter dat de beperkingen op de datum in geding juist waren ingeschat en dat de psychische klachten niet onder de verzekerde problematiek vielen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt vast dat de medische stukken die appellant in hoger beroep aanvoert betrekking hebben op een periode circa drie jaar na de datum in geding en dat er geen reden is om de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen. De geselecteerde functies zijn passend en de medische grondslag voor het besluit is toereikend.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op 14 september 2020 terecht is vastgesteld op 25 tot 35%.