ECLI:NL:CRVB:2024:1287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2016 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 2018 een WGA-uitkering, later een WGA-vervolguitkering, met een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer. Na een herbeoordeling in 2021 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 32%, waarop de WIA-uitkering werd beëindigd.
Appellante voerde aan dat haar medische beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld en dat zij de door het UWV geselecteerde functies niet kon vervullen. De rechtbank oordeelde echter dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies passend waren.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling, ook niet na bestudering van aanvullende medische stukken. De Raad vond de arbeidskundige beoordeling eveneens juist en zag geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De Raad concludeerde dat appellante terecht geen WIA-uitkering meer ontvangt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de functies passend zijn. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.