ECLI:NL:CRVB:2024:1277
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft in 2018 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht. Na bezwaar en beroep werd dit besluit gehandhaafd. In 2020 diende appellant een nieuw verzoek in om terug te komen op het eerdere besluit, stellende dat er nieuwe feiten en toegenomen arbeidsongeschiktheid waren.
Het UWV en de rechtbank concludeerden dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. Medische rapporten van verzekeringsartsen stelden dat de problematiek onveranderd was en dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De Raad onderschrijft deze conclusies en wijst erop dat appellant geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd die het standpunt ondersteunen.
Appellant voerde aan dat de situatie niet verbeterd was en dat medicatiegebruik problematisch is, maar dit leidde niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Hierdoor blijft de weigering van de Wajong-uitkering in stand en worden de proceskosten niet vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een Wajong-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en toegenomen arbeidsongeschiktheid.