ECLI:NL:CRVB:2024:1272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontvangt sinds oktober 2009 een AOW-pensioen als ongehuwde. Na onderzoek bleek dat zijn partner sinds september 2017 bij hem woont en op zijn adres staat ingeschreven, waardoor sprake is van een gezamenlijke huishouding. De twee-woningenregel is niet van toepassing omdat de partner op het BRP-adres van appellant staat ingeschreven.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft het pensioen van appellant met terugwerkende kracht herzien naar een gehuwdenpensioen en een teveel ontvangen bedrag van €6.239,01 teruggevorderd. Zowel appellant als de Svb hebben een rol gespeeld in het ontstaan van de teveelbetaling, waarbij appellant onduidelijkheden gaf over het hoofdverblijf van zijn partner.
Appellant voerde aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden en dat hij niet tijdig juiste informatie ontving, maar de Raad oordeelde dat geen concrete toezeggingen zijn gedaan die dit rechtvaardigen. De herziening en terugvordering met beperkte terugwerkende kracht is proportioneel en in overeenstemming met het beleid van de Svb. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van het AOW-pensioen van appellant worden bevestigd met beperkte terugwerkende kracht.