ECLI:NL:CRVB:2024:1265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2024
Publicatiedatum
1 juli 2024
Zaaknummer
18/3340 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en proceskostenveroordeling

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een WIA-zaak. Tijdens het hoger beroep heeft het UWV op 11 september 2020 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee het volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. Hierdoor heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Centrale Raad van Beroep heeft op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overwogen dat bij intrekking van het beroep vanwege volledige tegemoetkoming door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad heeft vastgesteld dat het UWV reeds de kosten in de bezwaarfase heeft vergoed en dat de rechtbank het UWV al heeft veroordeeld tot vergoeding van kosten in beroep.

De Raad heeft daarom alleen de in hoger beroep gemaakte kosten beoordeeld en het UWV veroordeeld tot vergoeding van € 2.187,50 aan proceskosten voor rechtsbijstand en het betaalde griffierecht van € 126,-. De uitspraak is gedaan door rechter H.G. Rottier op 26 juni 2024.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens volledige tegemoetkoming.

Uitspraak

18.3340 WIA

Datum uitspraak: 26 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2018, 16/6290 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op de zittingen van 23 januari 2019 en 6 juni 2019. Namens appellant is mr. Staal bij beide gelegenheden verschenen. Het onderzoek is ter zitting van 23 januari 2019 geschorst en naar aanleiding van de zitting van 6 juni 2019 heropend.
Het Uwv heeft op 11 september 2020 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en heeft de Raad gelijktijdig verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 september 2020 volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen.
Appellant heeft de Raad verzocht om vergoeding van de proceskosten die hij in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken.
In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 september 2020 heeft het Uwv al besloten om de gemaakte kosten in de bezwaarfase te vergoeden. Verder heeft de rechtbank het Uwv in de aangevallen uitspraak al veroordeeld voor de gemaakte kosten in beroep en het in beroep betaalde griffierecht. Daarom staan voor de Raad alleen nog de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op
€ 2.187,50 aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van een hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Ook zal de Raad bepalen dat het Uwv appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,- vergoedt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van
€ 2.187,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) A.M. Korver