ECLI:NL:CRVB:2024:1257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen herzieningsverzoek
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die haar verzoek om herziening niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. De herziening betrof een eerdere uitspraak waarin verzet was afgewezen met toepassing van artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb tegen uitspraken van de rechtbank zoals bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, geen hoger beroep mogelijk is. Dit geldt ook voor uitspraken waarin een verzoek om herziening betrekking heeft op een dergelijke uitspraak.
Daarom verklaart de Raad zich kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde hoger beroep en besluit zonder nadere inhoudelijke beoordeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van griffier L.C. van Bentum, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep af.