Uitspraak
12 januari 2022, 19/3133
Centrale Raad van Beroep
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 januari 2022. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een beroepschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak worden ingediend. Het beroepschrift van appellant werd echter pas op 18 september 2023 ontvangen, ruim na het verstrijken van de termijn.
Appellant voerde als reden voor de termijnoverschrijding dat hij in de periode van 10 januari 2021 tot en met 13 januari 2023 in Kroatië zonder vaste woon- of verblijfplaats verbleef en geen afschrift van de uitspraak ontving omdat deze naar een oud adres was gestuurd. De Raad oordeelde dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die de overschrijding verschoonbaar maken, mede omdat de uitspraak naar het bij de rechtbank bekende adres was gestuurd en appellant geen adreswijziging had doorgegeven.
Omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en het beroepschrift niet tijdig is ingediend, verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Een belangenafweging was in dit geval niet aan de orde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift zonder verschoonbare omstandigheden.