Appellante was woonbegeleidster bij een stichting die op 18 januari 2022 failliet werd verklaard. Zij verzocht het Uwv om een faillissementsuitkering wegens betalingsonmacht van haar ex-werkgever. Het Uwv wees dit af omdat haar dienstverband eindigde op 31 oktober 2021, vóór de financiële problemen van de werkgever.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat de termijn van 13 weken in artikel 64, eerste lid, onder a van de WW discriminerend is voor vrouwen, omdat zij overuren opsparen om vakanties te overbruggen. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de wettelijke regeling geen onderscheid maakt naar geslacht en dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van discriminatie. De geclaimde overuren vielen buiten de toegestane termijn en het Uwv heeft de regeling correct toegepast.
Het hoger beroep werd verworpen, de weigering van de faillissementsuitkering bleef in stand en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten.