Appellante, die zich in 2016 ziekmeldde met lichamelijke en psychische klachten, ontving vanaf 2018 een WIA-uitkering. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 44,26%, later verhoogd naar 70,29%, en vervolgens bij bezwaar verlaagd naar 64,04%. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit wegens onvoldoende onderzoek, waarna een aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsvond.
De rechtbank handhaafde daarna het besluit van het UWV, waarbij werd geoordeeld dat het lichamelijk onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) voldoende waren onderbouwd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat sprake was van reformatio in peius en dat de toegewezen functies niet passend waren. Het UWV stelde dat de verlaging van de uitkering per een toekomende datum was toegepast en dat de functies passend waren.
De Raad oordeelde dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld op 64,04%, met voldoende medische en arbeidskundige motivering. De bezwaren van appellante tegen de functies werden verworpen. Het hoger beroep werd afgewezen. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht, aangezien het UWV alsnog een uitlooptermijn toepaste en het besluit daarmee toereikend werd gemotiveerd.