Uitspraak
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Bijlage
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
Centrale Raad van Beroep
Het UWV kende betrokkene per 10 mei 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, omdat na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat betrokkene volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing en vorderde een IVA-uitkering, stellende dat de beperkingen duurzaam waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid binnen een jaar na aanvang van behandeling te verwachten was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad onderschreef de medische beoordeling dat er een redelijke verwachting bestond dat de functionele mogelijkheden van betrokkene zouden verbeteren. De Raad verwierp het standpunt van appellante dat onvoldoende was gemotiveerd welke concrete verbetering te verwachten was en dat de behandelmogelijkheden niet door artsen waren vastgesteld.
De Raad benadrukte dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging heeft gemaakt van de medische situatie en herstelkansen, zoals vereist op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA. De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was en bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet terugbetaald.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd een IVA-uitkering toe te kennen wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.