ECLI:NL:CRVB:2024:1047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, die zich ziekmeldde met reuma- en psychische klachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij slechts 17,15% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij extra medische informatie werd ingebracht, maar de beperkingen en mate van arbeidsongeschiktheid bleven ongewijzigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV voldoende gemotiveerd en objectief was. Ook werd geoordeeld dat de extra beperkingen en vermoeidheidsklachten geen aanleiding gaven tot een urenbeperking. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar reumatische klachten ernstiger waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met vermoeidheid en handbeperkingen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat de verzekeringsarts de medische situatie zorgvuldig had beoordeeld, dat de medische stukken rondom de datum in geding geen nieuwe beperkingen rechtvaardigden en dat de urenbeperking terecht niet was aangenomen. Het verzoek tot aanhouding om nieuwe medische stukken in te brengen werd afgewezen omdat deze na de datum in geding waren. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.