ECLI:NL:CRVB:2024:1014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak wegens onjuiste functiekeuze bij WIA-uitkeringsweigering
Appellante, sinds 2015 werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek in 2016 na een ongeval. Het UWV weigerde haar per 3 september 2018 een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar noemde onjuiste functies in haar uitspraak.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende is en dat appellante geschikt is voor haar eigen werk en enkele geselecteerde functies. De Raad constateert echter dat de rechtbank in haar uitspraak functies heeft genoemd die niet in het dossier voorkomen, wat een vergissing betreft.
De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak waarin deze onjuiste functies zijn genoemd, maar bevestigt de rest van de uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter J.D. Streefkerk op 22 mei 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het deel van de rechtbankuitspraak over onjuiste functies, bevestigt het overige en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.