ECLI:NL:CRVB:2023:902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken causaal verband toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als medewerker elektrotechniek, meldde zich in 2012 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een eerdere afwijzing van een WIA-uitkering in 2014 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, meldde hij zich in 2019 met toegenomen klachten, waarop het UWV een herbeoordeling deed.
De verzekeringsarts concludeerde dat de toegenomen beperkingen het gevolg waren van een andere ziekteoorzaak dan de eerdere klachten. Het UWV weigerde daarom opnieuw een WIA-uitkering, wat bij bezwaar en beroep werd bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onvolledig was en dat er sprake was van dezelfde ziekteoorzaak. De Raad oordeelde echter dat het UWV voldoende had onderbouwd dat er geen causaal verband bestond tussen de klachten uit 2014 en die uit 2019. Ook was appellant niet beperkt in het doen van zijn verhaal tijdens het spreekuur.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige of toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.