Uitspraak
22.1979 ZW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Het Uwv beëindigde deze uitkering omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen aanwijzingen waren voor psychische klachten op de datum in geding die beperkingen in de FML rechtvaardigden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er wel degelijk psychische klachten waren die meer beperkingen zouden moeten opleveren, onderbouwd met medische adviezen uit een letselschadeprocedure.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze medische adviezen geen nieuwe informatie bevatten die aanleiding gaf tot andere beperkingen in de FML, mede vanwege het andere beoordelingskader in letselschadeprocedures. De Raad vond geen bewijs voor een psychisch ziektebeeld op de datum in geding en onderschreef het oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen zonder dat sprake is van relevante psychische beperkingen.