ECLI:NL:CRVB:2023:870

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2023
Publicatiedatum
10 mei 2023
Zaaknummer
22/706 CRTV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door bestuursorgaan

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Betrokkene diende een verweerschrift in en verzocht om proceskostenvergoeding nadat appellant het hoger beroep introk.

Op grond van artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan bij intrekking van het hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten van de andere partij. De rechtbank had reeds een proceskostenveroordeling uitgesproken, maar de Raad moest nog beoordelen welke kosten redelijkerwijs gemaakt zijn in bezwaar en hoger beroep.

De Raad stelde vast dat de kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en hoger beroep samen € 2.031,- bedragen. Gelet hierop veroordeelde de Raad appellant in deze kosten. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 10 mei 2023.

Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van € 2.031,- aan proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 mei 2023
22/706 CRTV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband
met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
15 februari 2022, 21/1009 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Op 11 oktober 2022 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. C.J. de Wever verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft geen verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:118, eerste lid, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Aangezien de rechtbank in de aangevallen uitspraak een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, staan de Raad nog ter beoordeling de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Gelet hierop wordt appellant veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.194,-
in bezwaar en € 837,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 2.031,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.031,-.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) H. Alajai