Betrokkene ontving in 2019 bijstand en werd door het college teruggevorderd wegens onvoldoende verstrekte inlichtingen over bijschrijvingen van derden. Het college berekende de brutering van de terugvordering, maar hield daarbij onjuist rekening met de algemene heffingskorting door de maand maart buiten beschouwing te laten. De rechtbank vernietigde het besluit over de brutering en stelde een lager bruteringsbedrag vast.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de maand maart wel betrokken moet worden bij de berekening van de algemene heffingskorting, conform de Rekenregels van de Belastingdienst. Betrokkene stelde in incidenteel hoger beroep dat de berekening van de brutering onjuist en onevenredig hoog was.
De Raad oordeelt dat de rechtbank de Rekenregels onjuist heeft toegepast door de maand maart buiten beschouwing te laten. De brutering moet worden berekend over de periode waarin betrokkene recht had op bijstand, dus inclusief maart 2019. Het heffingspercentage van 57,85% is juist en niet willekeurig. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt verworpen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de brutering betreft en stelt het bruteringsbedrag vast op €3.327,70. Hiermee vervangt deze uitspraak het vernietigde deel van het besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.