Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd verdacht van onrechtmatige bijstand vanwege een spaarrekening op naam van haar minderjarige zoon. Het college trok haar bijstand in omdat zij niet de gevraagde bankafschriften van deze spaarrekening verstrekte, wat zij niet kon overleggen vanwege de beheerder, haar ex-partner.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de intrekking van de bijstand terecht was omdat appellante redelijkerwijs over de bankafschriften had moeten kunnen beschikken. De afwijzing van de aanvraag om bijstand kon echter niet over de gehele periode worden gehandhaafd, omdat de spaarrekening per 24 oktober 2019 was opgeheven en het college het recht op bijstand per maand had moeten beoordelen.
De Raad vernietigde daarom het besluit tot afwijzing van de aanvraag voor het gedeelte vanaf 1 november 2019 en beval het college een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante. De uitspraak benadrukt de medewerkingsverplichting van bijstandsgerechtigden en het belang van een zorgvuldige en gemotiveerde besluitvorming.