ECLI:NL:CRVB:2023:745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant meldde zich in september 2016 ziek vanwege rugklachten en vroeg in augustus 2018 een WIA-uitkering aan, die werd afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Een herbeoordeling in 2020 leidde tot dezelfde conclusie, waarna het bezwaar en beroep van appellant ongegrond werden verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juiste weergave van de belastbaarheid van appellant gaf. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de voorgestelde functies passend waren.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door uitstralende rugklachten, temperatuurgevoeligheid en slaapproblemen niet kon werken en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad vond het medisch oordeel van het UWV echter voldoende onderbouwd en zag geen aanleiding tot twijfel, waardoor het verzoek werd afgewezen.
De Raad bevestigde dat er geen nieuwe feiten waren die tot een andere beoordeling zouden leiden en wees het verzoek om proceskostenveroordeling af omdat de nadere toelichting van de arbeidsdeskundige geen nieuw standpunt betrof.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.