Appellante ontving bijstand sinds augustus 2019 en ontving vanaf september 2019 partneralimentatie die niet bekend was bij het college. Hierdoor werd te veel bijstand verstrekt. Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag terug, waarbij het deel over september tot december 2019 werd gebruteerd. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het college niet bevoegd was tot brutering omdat er geen benadelingsbedrag zou zijn en dat de brutering onjuist was berekend. De Raad oordeelde dat appellante haar stelling onvoldoende had onderbouwd en dat het college op grond van vaste rechtspraak bevoegd was tot brutering. De Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgrond over de berekening onbesproken had gelaten, wat strijdig is met de Awb.
De Raad beoordeelde vervolgens de berekening van het college en concludeerde dat deze inzichtelijk en logisch was. De eigen berekening van appellante was gebaseerd op onjuiste uitgangspunten, zoals het meenemen van alimentatie bij loonheffing en werkgeversbijdrage Zvw. De brutering blijft daarom in stand. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellante.