Uitspraak
22.653 WIA
OVERWEGINGEN
WIA-aanvraag van appellant per 18 april 2019 afgewezen, omdat hij de wachttijd van
104 weken ziekte niet heeft volgemaakt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als bezorger, vroeg een WIA-uitkering aan na arbeidsongeschiktheid door een aanrijding. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af wegens het niet volmaken van de wachttijd van 104 weken. Na bezwaar stelde het UWV vast dat appellant wel aan de wachttijd voldeed, maar minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling onvoldoende zorgvuldig was en zijn beperkingen werden onderschat.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot een ander oordeel. De Raad bevestigt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor de afwijzing van de WIA-uitkering terecht is. Een recent ingediend medisch stuk wordt buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WIA-uitkering krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.