ECLI:NL:CRVB:2023:568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening bijschrijvingen broer op bijstand in kader Participatiewet
Appellanten vroegen bijstand aan met ingang van 17 oktober 2019. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde aanvankelijk bijstand vanwege onvoldoende informatie over spaargeld en twee bijschrijvingen van de broer van appellante. Na bezwaar werd bijstand alsnog toegekend met terugwerkende kracht vanaf 17 oktober 2019, waarbij voorschotten en ontvangen bedragen in mindering werden gebracht.
De kern van het geschil betrof de vraag of bijschrijvingen van 3 oktober en 13 november 2019 als inkomsten moesten worden aangemerkt en verrekend mochten worden met de bijstand. De Raad oordeelde dat bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld en dat ook bijschrijvingen vóór de toekenning in de beoordeling moeten worden meegenomen. Het college bracht de bijschrijving van 3 oktober 2019 slechts proportioneel in mindering.
Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat de bijschrijvingen leningen voor levensonderhoud betroffen, omdat de bankafschriften geen vermelding van lening bevatten en de verklaringen van de broer onvoldoende bewijs boden dat het om leningen ging. Hierdoor was het gerechtvaardigd de bedragen als inkomsten te verrekenen.
Het hoger beroep werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellanten kregen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door M. Hillen namens de Centrale Raad van Beroep op 28 maart 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de verrekening van de bijschrijvingen met de bijstand bevestigd.