Uitspraak
22.2215 WIA
mr. A.I. Damsma.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als allround inseminator, meldde zich in 2017 ziek met fysieke en psychische klachten en hervatte zijn werk gedeeltelijk. Het UWV kende hem aanvankelijk geen WGA-uitkering toe vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na een nieuwe uitval in 2019 en aanvullend onderzoek werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 62,53%, later aangepast naar 68,61% na bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig en gemotiveerd hadden gehandeld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de impact van chronische PTSS en vermoeidheid, maar de Raad volgde de eerdere conclusies. Het overgelegde medische rapport uit 2022 leidde niet tot een ander oordeel omdat het niet relevant was voor de datum in geschil. De Raad concludeerde dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de arbeidskundige beoordeling adequaat rekening hielden met de beperkingen van appellant.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding om de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen, en de proceskostenveroordeling werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 68,61% arbeidsongeschiktheid en wijst het verzoek om schadevergoeding af.