ECLI:NL:CRVB:2023:46
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen.
Na bezwaar en beroep bleef de arbeidsongeschiktheid op 16,29% vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en de beperkingen juist waren vastgesteld, met inachtneming van alle klachten waaronder fibromyalgie, diabetes en psychische stoornissen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en lichamelijke beperkingen waren onderschat, mede door trauma’s en bijkomende klachten, en dat de FML onvoldoende rekening hield met haar situatie. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en oordeelde dat de verzekeringsartsen alle relevante medische informatie hadden betrokken en dat er geen aanleiding was tot meer beperkingen of een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad bevestigde dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd passend waren en dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende vastgestelde arbeidsongeschiktheid.