ECLI:NL:CRVB:2023:438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellant werkte als productiemedewerker en meldde zich ziek op 7 november 2017. Het dienstverband eindigde op 24 november 2017 waarna het UWV een Ziektewetuitkering toekende. In het kader van een WIA-aanvraag stelde een UWV-arts op 7 oktober 2019 beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige berekende de arbeidsongeschiktheid op 33,92%, waarna het UWV op 20 november 2019 een WIA-uitkering weigerde.
Na bezwaar en beroep werden de beperkingen en arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld, waarbij de mate werd vastgesteld op 56,40%. Het UWV wijzigde het besluit en kende appellant een loongerelateerde WGA-uitkering toe per 5 november 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook gezien de coronamaatregelen, en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen werden onderschat, met name zijn paniekklachten, agorafobie en rugklachten, en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de UWV-beoordeling. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant voor 56,40% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.