ECLI:NL:CRVB:2023:410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melden hoofdverblijf
In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand met ingang van 10 april 2017 en de terugvordering van bijstandskosten over de periode tot en met 28 februari 2019, ter hoogte van € 22.104,68. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde dat appellant niet had gemeld dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting schond en het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden.
De rechtbank Den Haag had het bestreden besluit in stand gelaten. In hoger beroep richtte de discussie zich op de vraag of er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak moet dit gebaseerd zijn op onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die uitzonderlijk en individueel afgewogen zijn.
Appellant slaagde hier niet in. Hoewel een brief van de huisarts lichamelijke en psychische klachten vermeldde, kon niet worden vastgesteld dat deze klachten het gevolg waren van de terugvordering of dat de terugvordering de klachten aanzienlijk verergerde. Ook de hoogte van het bedrag en de wijze van inhouding leidden niet tot zeer dringende redenen. Verwijtbaarheid speelt geen rol bij terugvordering, die gericht is op herstel van de rechtmatige situatie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand zonder dringende redenen om hiervan af te zien.