Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:407

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
7 maart 2023
Zaaknummer
21 / 2648
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door college van B&W Gouda

Het college van burgemeester en wethouders van Gouda stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Vervolgens trok het college het hoger beroep bij brief van 31 maart 2022 in. Betrokkene verzocht de Raad om het college te veroordelen in de proceskosten. Het college gaf aan zich te conformeren aan het oordeel van de Raad over de proceskostenveroordeling.

De Centrale Raad van Beroep paste artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht toe, dat bepaalt dat bij intrekking van hoger beroep door het bestuursorgaan het bestuursorgaan op verzoek van een partij kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad stelde vast dat de proceskosten van betrokkene redelijkerwijs €837 bedragen voor verleende rechtsbijstand.

De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en veroordeelde het college van burgemeester en wethouders van Gouda in de proceskosten van betrokkene. De proceskosten in eerste aanleg waren reeds toegekend door de rechtbank. De uitspraak werd gedaan door J.J. Janssen, in aanwezigheid van griffier D. van der Boom, op 7 maart 2023.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Gouda is veroordeeld in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van €837 na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 maart 2023
21/2648
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2021, 20/7190 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Gouda (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 31 maart 2022 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. I.E. Mussche verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft bij brief van 28 april 2022 kenbaar gemaakt zich te conformeren aan het oordeel van de Raad met betrekking tot de proceskostenveroordeling.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Gelet hierop wordt appellant veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot € 837,- voor verleende rechtsbijstand. De proceskosten in eerste aanleg zijn reeds toegekend door de rechtbank.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2023.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) D. van der Boom