Uitspraak
20.2094 PW, 20/2095 PW
OVERWEGINGEN
€ 4.100,25 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds 2006 en had toestemming om als marginale zelfstandige te werken met maandelijkse opgaveplicht van inkomsten tot februari 2017. Vanaf maart 2017 meldde appellant geen inkomsten meer, maar bleek later toch als zelfstandige actief met inkomsten.
Het college constateerde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door deze werkzaamheden en inkomsten niet te melden. Hierdoor kon het college het recht op bijstand vanaf juni 2017 niet vaststellen en trok de bijstand in, met terugvordering van €17.427,19. Tevens werd een boete van €4.100,25 opgelegd.
Appellant voerde aan dat hij wel had gemeld en stukken had ingediend, maar dit werd niet aannemelijk geacht. Ook nieuwe stukken die laat werden ingediend, werden niet meegenomen wegens strijd met de goede procesorde. De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormde voor intrekking en dat de boete proportioneel was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de boete worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting door appellant.