ECLI:NL:CRVB:2023:381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als pakketbezorger, meldde zich ziek op 10 april 2017 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met diverse aandoeningen zoals duizeligheid, pijnklachten, chronische vermoeidheid, een paniekstoornis en sociale angst, en dat ten onrechte geen urenbeperking was vastgesteld. Tevens stelde appellant dat het onderzoek niet door een BIG-geregistreerde arts was uitgevoerd, wat de zorgvuldigheid zou schaden.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek, inclusief het aanvullende onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zorgvuldig en volledig is uitgevoerd. De klachten zijn onderzocht, en beperkingen zijn adequaat meegenomen in de beoordeling. De Raad onderschrijft dat geen urenbeperking noodzakelijk is en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant.
Het motiveringsgebrek in het oorspronkelijke besluit wordt met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd, omdat appellant hierdoor niet is benadeeld. De Raad bevestigt het bestreden besluit en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant, inclusief vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.