ECLI:NL:CRVB:2023:371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 56,01% in hoger beroep WIA
Appellante, werkzaam als juridisch secretaresse, werd sinds 2012 ziekgemeld en ontving een WGA-uitkering op basis van de Wet WIA. Na herbeoordelingen stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 56,01%, waarbij functies werden geselecteerd die binnen haar belastbaarheid passen.
Appellante betwistte de medische en arbeidskundige beoordeling, met name de geschiktheid van de functie schoonmaker, en voerde aan dat zij meer beperkingen heeft dan vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd benadrukt dat de gegevens uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) als juist worden beschouwd tenzij overtuigend gemotiveerd betwist.
In hoger beroep handhaafde de Raad de eerdere conclusies. De medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijst (FML) werden als voldoende onderbouwd beoordeeld. De arbeidskundige beoordeling en de geschiktheid van de geselecteerde functies, inclusief schoonmaker, werden bevestigd. De Raad oordeelde dat de door appellante aangevoerde argumenten onvoldoende waren om de vaststelling aan te passen.
De Raad wees ook op het verschil in beoordelingskader tussen de WIA en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), waardoor het recht op huishoudelijke hulp niet relevant is voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 56,01% arbeidsongeschiktheid en verklaart het hoger beroep ongegrond.