ECLI:NL:CRVB:2023:358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt recht op IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 6 mei 2015 arbeidsongeschikt en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling door haar ex-werkgever stelde het UWV op 13 februari 2020 dat haar arbeidsongeschiktheid was verminderd tot 55,96%, maar dat haar uitkering ongewijzigd bleef. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, waarna het UWV op 29 september 2020 besloot de WIA-uitkering ongewijzigd voort te zetten, maar geen IVA-uitkering toe te kennen omdat volgens het UWV geen sprake was van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stond enkel de vraag centraal of de arbeidsongeschiktheid per 27 januari 2020 volledig en duurzaam was, zodat recht op een IVA-uitkering bestond. De Centrale Raad oordeelde dat de verzekeringsarts onvoldoende had onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Het UWV kon geen aanvullende motivering geven dat herstel mogelijk was.
Daarom werd aangenomen dat appellante per genoemde datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, en werd het beroep gegrond verklaard. Het besluit van 29 september 2020 werd vernietigd en het UWV werd verplicht de IVA-uitkering toe te kennen met ingang van 27 januari 2020. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Appellante heeft recht op een IVA-uitkering vanaf 27 januari 2020 wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.