Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:334

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2023
Publicatiedatum
22 februari 2023
Zaaknummer
22/1770 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 73,92% zonder ADL-afhankelijkheid

Appellant was werkzaam als manusje van alles en meldde zich op 9 juli 2018 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem op 28 juli 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,30%. Na bezwaar werd dit percentage verhoogd naar 73,92%, gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige rapporten.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant niet ADL-afhankelijk is, omdat hij zelfstandig basale activiteiten kan verrichten. Appellant voerde in hoger beroep aan volledig arbeidsongeschikt en ADL-afhankelijk te zijn, onderbouwd met een brief van een psychiater, maar deze informatie betrof een latere datum dan de peildatum.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De Raad achtte het UWV voldoende gemotiveerd in de keuze van functies voor de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 73,92% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

22.1770 WIA

Datum uitspraak: 22 februari 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
28 april 2022, 21/1325 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een brief van psychiater M. Bik, werkzaam bij GGZ InGeest, van 13 december 2022 aan de Raad gestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wernik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Ait Moha.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als manusje van alles voor 39,77 uur per week. Op 9 juli 2018 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 15 juli 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 64,30%. Bij besluit van 28 juli 2020 heeft het Uwv appellant met ingang van 6 juli 2020 een loongerelateerde WGAuitkering toegekend.
1.2.
Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juli 2020 bij besluit van 12 februari 2021 (bestreden besluit) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 73,92%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden nu appellant door een verzekeringsarts op een fysiek spreekuur is gezien en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor de heroverweging dossieronderzoek heeft verricht en appellant heeft gezien bij een hoorzitting. Verder is van belang geacht dat informatie van de behandelend sector bij de beoordeling is betrokken.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep over voldoende gegevens beschikte om tot een afgewogen oordeel over de medische gesteldheid van appellant te komen en heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er zijn beperkingen aangenomen die verband houden met een depressieve episode, ernstig van aard zonder tekenen van psychose. De stelling van appellant dat hij vanwege zijn klachten volledig begeleid wordt door zijn echtgenote en dat hij om die reden ADL-afhankelijk is en geen benutbare mogelijkheden heeft, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Hiertoe is overwogen dat het ADL-afhankelijk zijn betekent, gelet op artikel 2 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, dat men voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat men lichamelijk niet zelfredzaam is. Het gaat dan om basale activiteiten die nodig zijn voor de primaire fysieke zelfstandigheid, zoals eten, drinken, wassen, toiletgang, binnenshuis lopen en zitten. In het rapport van de verzekeringsarts van 15 juli 2020 is opgenomen dat appellant zelfstandig doucht en aankleedt en dat eten en zelfverzorging goed gaat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellants vrouw hem tot alles moet zetten, maar dat hij uiteindelijk alles wel zelfstandig doet. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat van ADLafhankelijkheid geen sprake is.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij van mening blijft dat hij duurzaam arbeidsongeschikt is en volledig ADL-afhankelijk en dat hij het zonder de hulp van zijn
vrouw niet redt. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet zelfredzaam is, heeft appellant informatie van psychiater M. Bik aan de Raad gestuurd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 6 juli 2020 heeft vastgesteld op 73,92%.
4.3.
Wat appellant heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel gelegde overwegingen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.1.
Appellant heeft zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is herhaald. In hoger beroep heeft appellant gewezen op de brief van psychiater Bik van 13 december 2022. Aangezien deze informatie niet ziet op de situatie van appellant op de datum in geding, biedt dit geen aanknopingspunten voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit.
4.4.2.
Ook de stelling van appellant dat hij op de datum in geding niet zelfredzaam was en dat hij daarom geen benutbare mogelijkheden had wordt niet gevolgd. In het rapport van de verzekeringsarts van 15 juli 2020 zijn bij de beschrijving van het dagverhaal wel enkele activiteiten zoals douchen en persoonlijke verzorging beschreven. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat appellant op de datum in geding volledig niet zelfredzaam was. Ter zitting heeft de schoondochter van appellant verklaard dat de situatie slechter is geworden en dat de echtgenote van appellant alles voor hem moet organiseren. Met een verslechtering na de datum in geding kan in dit geschil echter geen rekening worden gehouden.
4.5.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van L. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) L. Kokhuis