ECLI:NL:CRVB:2023:2529
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ongegrond wegens ontbreken procesbelang bij ingetrokken waarschuwing Participatiewet
Appellante ontvangt sinds april 2019 bijstand op grond van de Participatiewet en verricht werkzaamheden als marginaal zelfstandige met toestemming van het college. Naar aanleiding van door appellante overgelegde inkomstengegevens startte het college een onderzoek en trok de bijstand met ingang van januari 2021 in. Tevens werden kosten teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellante maakte bezwaar tegen de besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering, maar stelde geen beroep in. Vervolgens legde het college een waarschuwing op wegens schending van de inlichtingenplicht, die na bezwaar werd gehandhaafd. Appellante stelde beroep in tegen deze waarschuwing. Tijdens de procedure trok het college de waarschuwing in.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellante geen procesbelang meer had nu de waarschuwing was ingetrokken. Appellante stelde hoger beroep in, stellende dat de besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering onjuist waren. De Raad oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is omdat het geding beperkt is tot de waarschuwing die is ingetrokken en appellante geen procesbelang heeft bij een oordeel over deze waarschuwing. De Raad wees erop dat appellante de andere besluiten via een aparte procedure kan aanvechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard wegens ontbreken van procesbelang bij de ingetrokken waarschuwing.