Appellante, geboren in 1955, lijdt aan een ernstige neurologische aandoening met grote mobiliteitsbeperkingen en is rolstoelafhankelijk. Het college had haar tot november 2019 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning van 6,5 tot 7,5 uur per week toegekend op basis van medisch advies uit 2014 en aanvullend buurtteamverslag.
In 2021 besloot het college echter de ondersteuning te beperken tot 105 uur per jaar (ongeveer 2 uur per week), omdat het meende onvoldoende actuele medische informatie te hebben door het ontbreken van een medisch advies, mede doordat appellante het conceptadvies geblokkeerd zou hebben. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat onvoldoende informatie beschikbaar was. De Raad stelt vast dat de situatie van appellante zeer ernstig en stabiel is, en dat het oude medisch advies in samenhang met andere medische verklaringen voldoende is om de ondersteuningsbehoefte vast te stellen. Het college heeft onvoldoende onderzoek verricht en daarmee gehandeld in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en wijst zelf een maatwerkvoorziening van 7,5 uur per week toe voor de periode van 1 maart 2021 tot en met 28 februari 2023. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.