Appellant, laatstelijk werkzaam als machine-operator, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Het Uwv stelde vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatste werk, maar nog 70,88% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, en weigerde daarom de WIA-uitkering per 31 januari 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 maart 2018 niet waren onderschat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, met name door zenuwschade en psychische klachten, niet voldoende waren meegenomen.
De Raad volgde het Uwv en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerden dat er geen objectief bewijs was voor ernstige zenuwschade na een operatie in november 2017 en dat psychische en slaapapneuklachten geen aanleiding gaven tot uitgebreidere beperkingen. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Omdat de medische en arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep toereikend werd, werd het gebrek in het bestreden besluit gepasseerd. Het hoger beroep werd afgewezen en het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten.