ECLI:NL:CRVB:2023:243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WGA-vervolguitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, voormalig medewerker facilitaire dienst, ontving sinds 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering vanwege gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2019 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 41,46%, maar behield de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn medische situatie onderschat was en dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat geen aanvullende informatie was opgevraagd bij zijn behandelend psychiater.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsarts en het arbeidsdeskundig rapport als zorgvuldig en juist werden beoordeeld. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze beoordeling en oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, mede op basis van beschikbare medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend psychiater. De Raad stelt dat het UWV de functionele mogelijkheden van appellant correct heeft vastgesteld en dat er geen noodzaak is voor structurele begeleiding zoals een jobcoach.
Het hoger beroep faalt, en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door C. Karman op 2 februari 2023.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de voortzetting van de WGA-vervolguitkering in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.