Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:2419

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2023
Publicatiedatum
21 december 2023
Zaaknummer
21/3904 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in socialezekerheidszaak

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een socialezekerheidszaak. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierop trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Raad overwoog dat op grond van artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in bezwaar op verzoek van de indiener kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad stelde vast dat het UWV volledig aan de bezwaren tegemoet was gekomen met de gewijzigde beslissing.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, begroot op €1.674,- per fase, en gaf gedeeltelijk gehoor aan de gevorderde vergoeding voor deskundigenkosten. Administratieve kosten werden niet vergoed. Ook werden kosten voor medische informatieverzoeken en griffierechten toegewezen.

De totale proceskostenveroordeling bedroeg €5.707,71, exclusief griffierecht dat het UWV eveneens moest vergoeden. De uitspraak werd gedaan door S.B. Smit-Colenbrander namens de Centrale Raad van Beroep op 21 december 2023.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van €5.707,71 aan proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 december 2023
21/3904 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 september 2021, 20/6188 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.E. Vollebregt hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vollebregt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
De Raad heeft het onderzoek geschorst ter zitting en het Uwv verzocht om nader onderzoek te doen.
Het Uwv heeft op 31 augustus 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 3 oktober 2022 heeft mr. Vollebregt namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 31 augustus 2022 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoet gekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het instellen van beroep en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, wegingsfactor 1) en op € 1.674,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, wegingsfactor 1).
De kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor het inschakelen van een deskundige komen eveneens voor vergoeding in aanmerking.
Appellante heeft in beroep een expertiserapport van verzekeringsarts G. Sprenkels van medisch adviesbureau 1MA ingezonden. Voor deze werkzaamheden heeft appellante om vergoeding van € 3.285,21 verzocht. De Raad is van oordeel dat deze vordering gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. Het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat alleen uren van de medisch adviseur voor vergoeding in aanmerking komen tegen het in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) vermelde uurtarief. De op de specificatie van de factuur van adviesbureau 1MA genoemde administratieve kosten (dossieraanmaak en planning € 147,40,) komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat artikel 1 van Pro het Bpb niet in deze kosten voorziet.
De Raad acht een vergoeding van de kosten voor 360 minuten voorbereidende werkzaamheden, 330 minuten voor het opstellen van de rapportage, 15 minuten voor eindrapportage en 30 minuten voor afronding rapportage, redelijk. De werkzaamheden ‘50 minuten inzage- en correctierecht’ houden verband met de rapportage zelf en kunnen daarom – anders dan het Uwv heeft betoogd – worden meegenomen. In totaal komen daarom 785 minuten voor vergoeding in aanmerking. In overeenstemming met artikel 9 van Pro het Bts wordt dit afgerond naar 13,5 uur, zodat uitgaande van het maximale uurtarief van € 134,04, de vergoeding € 2.189,54 (inclusief 21% BTW) bedraagt.
De kosten voor het opvragen van medische informatie bij de huisarts ten bedrage van tweemaal € 41,80 en bij medisch adviseur dr. M. Eeftinck Schattenkerk ten bedrage van € 86,57 komen voor vergoeding in aanmerking.
De totale kostenveroordeling komt uit op een bedrag van €5.707,71. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.707,71;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) M.D.F. de Moor